Epilepsie
Bij een epilepsieaanval is er een korte storing in de hersenen, een soort ‘kortsluiting’. De hersenen zijn plotseling extra actief en geven te veel prikkels tegelijk door aan het lichaam. Je kind kan dan bijvoorbeeld gaan schokken, vreemde bewegingen maken of niet reageren. We spreken pas van epilepsie als je kind twee of meer aanvallen heeft gehad.
Verschillende aanvallen
Gegeneraliseerde aanvallen: de hele hersenen zijn actief. Je kind verstijft en gaat daarna schokken met armen en benen.
Focale aanvallen: alleen een deel van de hersenen doet mee. Je kind kan dan bijvoorbeeld staren, smakgeluiden maken of niet goed uit zijn woorden komen.
Een focale aanval kan soms overgaan in een gegeneraliseerde aanval.
Oorzaken bij kinderen met kanker
Epilepsie kan vooral bij kinderen met een hersentumor of uitzaaiingen in de hersenen voorkomen. Ook verhoogde druk in de hersenen en sommige medicijnen (zoals methotrexaat) kunnen aanvallen veroorzaken. Meestal gaat het om focale aanvallen.
Behandeling
De kinderen krijgen meestal onderhoudsmedicatie om aanvallen te voorkomen. Als een aanval niet vanzelf stopt, geef je noodmedicatie, zoals midazolam neusspray. De arts schrijft deze noodmedicatie voor.
Wat doe je bij een aanval?
Blijf rustig, blijf bij je kind en raak je kind niet aan, tenzij je het op een gevaarlijke plek ligt. Let op de tijd. Geef noodmedicatie als een aanval langer dan drie minuten duurt. Bel 112 als de aanval niet stopt of als je twijfelt.
In de folder lees je wat je kunt doen bij verschillende soorten aanvallen en hoe je de noodmedicatie geeft.